|
|
MOTOR
MET ZIJSPAN
uit:
'Leerboek ten gebruike bij de
opleiding voor tweede monteur
motorrijwielen' door: Stichting
V.A.M., 1957
De
meeste moderne motorrijwielen
met een cilinderinhoud van 200
cm3 of hoger zijn wat het
motorvermogen betreft geschikt
voor de aanbouw van het zijspan.
Bij veel motorrijwielen verdient
het aanbeveling om bij aanbouw
van een zijspan de vertraging
tussen motor en aangedreven wiel
iets te vergroten. Hierdoor
wordt de beschikbare trekkracht
groter doch dit gaat ten koste
van de maximum snelheid. De
aanbouw van het zijspan aan de
motor kan zowel rechts als links
geschieden. In Nederland wordt
het zijspan echter overwegend
rechts gemonteerd. Hierdoor
heeft men bij het passeren
eerder een vrij uitzicht over de
weg. De verbinding tussen
zijspanwagen en motorrijwiel kan
star of flexibel zijn. In het
eerste geval kan de zijspanwagen
niet bewegen ten opzichte van
het motorrijwiel. In het tweede
geval zal een plotselinge kracht
die op het zijspanwiel wordt
uitgeoefend niet direct merkbaar
zijn op de motor. Bij moderne
zijspanwagens heeft men een
tussenvorm tussen deze twee
principes. De stangverbinding
tussen motor en zijspan zijn
zodanig gebogen, dat bij een
plotselinge extra belasting van
het zijspan de verbindingen meer
torderen en minder op trek of
druk belast worden. Dit bereikt
men door een knik in de
stangverbinding aan te brengen.
Het zijspan kan door middel van
vier-, drie- of twee
tussenstangen aan het
motorrijwiel worden bevestigd.
Men spreekt dan van
respectievelijk vier-, drie- of
tweepuntsophanging. De
aansluitstukken zijn
tegenwoordig overwegend
snelkoppelingen: met kogels en
kogelklemmen (zie afbeelding).

De
verbindingstangen bestaan
meestal uit twee gedeelten die
in- en uit elkaar geschroefd
kunnen worden waardoor dus de
lengte van de stangen variabel
is. Dit is gedaan om het zijspan
zuiver ten opzichte van het
motorrijwiel te kunnen
uitlijnen. Het frame van het
zijspan bestaat uit naadloze
stalen buizen, die meestal ook
over de 'boot' heen lopen (zie
afbeelding). Het zijspanwiel is
dan geheel onafhankelijk geveerd
aan dit frame bevestigd. Bij
vroegere zijspanwagens was dit
niet het geval; wanneer toen het
zijspanwiel opgeworpen werd of
door een kuil reed, ging ook de
motor scheef liggen.

Bij onafhankelijk van het motorrijwiel geveerde zijspanwielen
treffen we verschillende veermiddelen aan zoals rubber, een
torsiestaaf of een schroefveer.
Rubber veerelementen worden bij de lichtere zijspanwagens toegepast.
De veerkracht van de rubberblokken is dan dikwijls nog instelbaar.
Het principe van de torsievering is ons wel bekend. Het grote
voordeel van dit systeem is dan het onafgeveerde gewicht zeer gering
is, want de veer zelf behoort tot het afgeveerde gewicht.
Onderstaand een afbeelding van het chassis van een zijspan waarbij
een hydraulisch veerelement wordt toegepast.

Binnen in de telescoop bevindt zich en schroefveer, waarvan de
veerwerking langs hydraulische weg afgeremd wordt. Het chassis wordt
hier doormiddel van een driepuntsophanging aan het motorrijwiel
bevestigd.
Op het zijspan-chassis wordt verend de '' boot '' dus de bak waar de
passagier in zit, bevestigd. De vering van de '' boot '' ten
opzichte van het chassis geschiedt met trekveren of rubberbanden.
Alleen aan de achterkant bevinden zich deze veren. Aan de voorkant
is de '' boot '' scharnierend opgehangen.
De aanbouw van het
zijspan aan de motor
Bij het aanbouwen van het zijspan aan de motor moet men rekening
houden met verschillende afstellingen.
Deze zijn: vlucht en toespoor van het zijspanwiel, verloop van het
zijspanwiel en de horizontale stand van de zijspan- boot. Helaas
zijn de fabrieksgegevens over de grootte van deze waarden zeer
schaars, zodat men veelvuldig moet proefrijden en bijstellen om een
juiste besturing van de combinatie - zonder trekken - te verkrijgen.
De vlucht Hieronder verstaan we dat de motor ten opzichte van het
zijspanwiel niet zuiver verticaal staat maar iets naar buiten helt.
Ook helt het zijspanwiel wel eens iets naar buiten of zowel de motor
als het zijspanwiel. Deze vlucht varieert van 6 - 15 mm.

Verandering van de sprong
We nemen aan dat het zijspan rechts gemonteerd zit. Door de rol- en
luchtweerstand op het zijspan ontstaat een koppel naar rechts.
Vooral bij een wegdek met een grote tonrondte zal de combinatie naar
rechts willen trekken. De bestuurder zal door tegenstuur naar links
te geven de combinatie recht moeten houden. Het naar rechts trekken
wordt nog verergerd door de sprong van het voorwiel. Wanneer het
voorwiel een grote sprong heeft zal het naar rechts gerichte koppel
ook het voorwiel rechtsom trekken. In de figuur is de afstand A de
sprong. Het raakpunt tussen band en wegdek ligt dus achter het
verlengde van de draaiingsas, hier dus de balhoofdbuis. Ditzelfde
hebben we ook bij het bekende pianowieltje.

De krachten K zijn de krachten die bij een motor met zijspan
ontstaan ten gevolge van de rol- en luchtweerstand op het zijspan.
Om alles duidelijker te maken hebben we deze krachten getekend bij
het pianowieltje. Bij het pianowieltje met sprong zal deze kracht
het wiel in een andere stand zetten, bij het wieltje zonder sprong
zal het geen uitwerking hebben. Bij het motorrijwiel voorwiel is de
uitwerking van de kracht tengevolge van de rol- en luchtweerstand
hetzelfde. Hoe groter de sprong hoe meer de combinatie zal gaan
trekken, bij het rijden op een vlakke weg. Bij veel bochtenwerk ligt
dit echter weer anders. Dan zal een grote sprong het stuur van de
motor na de bocht weer makkelijker laten terugkomen. Bij motoren die
speciaal bestemd zijn voor zijspanwerk is de sprong dan ook dikwijls
instelbaar. Enkele methoden om de sprong te verkleinen zijn:
a:Bij een Webb vork:
Door de bovenste schommel korter of de onderste schommel langer te
maken. Soms zijn de schommelmaten zo gekozen, dat door de bovenste
schommels onder en de onderste schommels boven te monteren, de
sprong verandert.
Ook zijn bij sommige motoren de vorkhelften omkeerbaar terwijl de
gaten voor de schommelbouten uit het midden zitten.
b. Bij telescoopvorken:
Het gat in de lug waar het wiel aan zit is dikwijls niet in het hart
van de telescoopbuis geplaatst. Doorverdraaiing van de lug of van de
onderste telescoopbuis wordt ook nu weer de sprong veranderd. Ook
zijn deze telescoopbuizen wel eens excentrisch in de boven en
onderbrug bevestigd. Door verdraaiing van de buizen wordt de sprong
nu verkleind.
c. Bij schommelarmvork of Earles vork.
Het scharnierpunt van de arm waar het wiel aan zit kan verplaatst
worden (zie figuur). We hebben dus gezien, dat door verandering van
de sprong het trekken verminderd kan worden. Ook de vlucht van het
motorrijwiel ten opzichte van het zijspanwiel vermindert het
trekken, want door het overhellen naar links zal de motor vanzelf
iets naar links willen draaien. Bovendien zal door de vlucht het
zijspanwiel altijd iets tegen zijn binnenste lager gedrukt worden.
Een kleine speling in de lagers zal dus nog niet meteen een trillend
wiel tot gevolg hebben. De vlucht wordt opgemeten door eventueel met
een schietlood de in de figuur getekende zwarte punten op de
werkplaatsvloer te projecteren. De afstelling geschiedt door
verlengen of verkorten van de naar boven lopende verbindingstang(en)
tussen motor en zijspan.
 
De term vlucht kan gemakkelijk aanleiding tot verwarring geven, daar
men ook bij een solomotor wel van vlucht spreekt. Dit is dan de
loodrechte afstand tussen hart as en het verlengde van de
balhoofdlijn. Deze afstand wordt bij een rijwiel verkregen door de
bocht in de vorkbenen en bij een motorrijwiel met telescoopvork door
de beide brugstukken. Bij schommelarmvering wordt de vlucht bepaald
door de plaatsing van het scharnierpunt en de lengte van de
schommelarm.
Toespoor en
voorloop van het zijspanwiel
De toespoor van het zijspanwiel Door de krachten die er tijdens het
rijden op de wielen van de combinatie werken zullen deze de neiging
krijgen om naar buiten gedrukt te worden. Om dit te voorkomen wordt
het zijspanwiel iets naar binnen geplaatst. Dit noemt men de
toespoor. De grootte ervan varieert van 25 - 45 mm. Ze worden
opgemeten met behulp van twee lange meetlatten, die aan de
buitenkant langs de wielen gelegd worden. Men meet dan de afstanden
tussen de meetlatten aan de voor- en achterkant. Het verschil tussen
deze twee maten is de toespoor.

De voorloop van
het zijspanwiel
Vooral deze stand is zeer belangrijk. Wanneer we nogmaals
bovenstaande figuur bekijken zien we dat het zijspanwiel niet gelijk
staat met het achterwiel van de motor maar een afstand van 14 - 20
cm naar voren. Deze stand vermindert ook weer het trekken van het
zijspan, terwijl het de kans op omslaan van de combinatie in de
bocht vermindert.

Wanneer we bovenstaande figuur bekijken, dan zien we dat er
tengevolge van de rol- en luchtweerstand een rechtsom gericht koppel
op de motor werkt. Dit koppel veroorzaakt het naar rechts trekken.
Wanneer er nu op de motor ook een linksom gericht koppel werkt zal
dit trekken verminderen. Het linksom gerichte koppel wordt nu tot
stand gebracht door de richtende kracht tengevolge van de toespoor
en de arm die ontstaat tengevolge van de voorloop van het
zijspanwiel. Zowel het rechtsom als het linksom gerichte koppel zijn
in bovenstaande figuur afgebeeld. Tevens komt door de voorloop het
zwaartepunt gunstiger te liggen binnen de driehoek die gevormd wordt
door de raakpunten van de drie wielen op de weg. Hierdoor zal de
centrifugaalkracht die bij het nemen van een bocht ontstaat de motor
met zijspan minder snel doen omslaan. De horizontale stand van de
boot, deze kan men meestal instellen door het wijzigen van de
voorspanning van de veren tussen boot en chassis. Het is zeer
belangrijk dat het zijspan goed aan het motorrijwiel gekoppeld
wordt. Men moet de aanbouwvoorschriften van de fabriek zo veel
mogelijk navolgen, maar dikwijls is daarbij nog een kleine
nastelling noodzakelijk. Alleen dan, wanneer het zijspanwiel
nauwkeurig uitgelijnd staat, is de combinatie goed te besturen. Op
een vlakke weg moet een zijspancombinatie even goed als een
solomotor, met de handen los van het stuur, te berijden zijn. Het
zijspanrijden moet men na flink oefenen leren. In het algemeen
kunnen wij voor het berijden van een combinatie de volgende regels
geven:
a. Bij een rechterbocht moet men iets gas bijgeven, opdat de motor
gemakkelijker om het zijspan heen draait. Overhellen naar rechts.
b. Bij een linkerbocht moet men iets gas minderen of afremmen. Het
zijspan draait dan gemakkelijker om de motor heen. Overhellen naar
links.
 |
|