|
KORTE FABRIEKS HISTORIE |
||
![]() |
Op 1 september 1917 richt de heer D.L. Schakel samen met zijn vennoten
de heren A. Verbeek en L. Krijgsman de firma Verbeek & Schakel op,
grossierderij in rijwielen en onderdelen. Nog geen maand na de
oprichting slagen zij erin de merknamen Sparta, Romein en Vaandel te
kopen van een concurrent, de firma A. Reuvers uit Nijmegen. Pas na de
oorlog wordt de naam gewijzigd in Sparta Rijwielen- en Motorenfabriek
N.V. Nog later verandert de N.V. in een B.V. De firma vestigt zich aan de Hoofdstraat (toen nog Dorpsstraat) in een uit 1907 daterende villa die ook nog enige ruimte voor uitbreiding biedt. In hetzelfde jaar wordt een bouwvergunning verstrekt voor het bouwen van een magazijn en het vergroten van het kantoor. |
|
|
In 1927 koopt de heer Schakel -inmiddels zonder vennoten- de villa
'Driehuizen' inclusief 1 hectare grond om een echte rijwielfabriek op te
zetten. Hier verrijst het eerste fabrieksgebouw van 300 m2. In 1928
heeft de fabriek alleen nog zijn kantoor aan de Hoofdstraat. Het aantal
personeelsleden bedraagt dan 55. Het pand aan de Hoofdstraat wordt in
1933 door de nieuwe eigenaar afgebroken om plaats te maken voor
nieuwbouw (de tegenwoordige hoek Caterplein/Beekpark). In het voormalige
magazijn dat blijft bestaan -en ook heden nog bestaat- vestigt zich de
rijwielgroothandel van De Bie. |
![]() |
|
|
|
In het midden van de dertiger jaren werden gedurende korte tijd ook motoren van een zwaarder kaliber (148 en 200cc) met Villiers motoren geleverd waarvan het vermoeden bestaat dat de meeste onderdelen of misschien wel de gehele motor uit Engeland kwam. Ook werden deze motorblokken in motorcarriers geplaatst die in allerlei uitvoeringen kon worden geleverd. In de folders uit die jaren staan types voor bakkers, petroleumhandelaren, melkboeren, visventers etc. |
|
|
Eind dertiger jaren kwamen diverse modellen met Villiers-, Sachs- en JLO motorblokken uit met steeds groter wordende cilinderinhoud (120 en 125 cc). De zestig kilogrens werd om belastingtechnische redenen (belastingvrij) nauwlettend in de gaten gehouden. Tot in 1942 werden met toestemming van de Duitsers, weliswaar in steeds kleiner wordende aantallen, nog steeds motoren met Sachs en JLO blokken geleverd. Direct na de oorlog werd de productie weer opgepakt, voor zover er een bouwvergunning en nog overgebleven materiaal voorhanden was. In 1948 kwam ook weer een Villiers-versie uit, nog wel met voorradige Sachs-uitlaten, zodat het motorblok enigszins voorover in het frame moest worden geplaatst. Het frame en de voorvork (onder andere van Belgisch fabrikaat) was inmiddels zwaarder geworden door het laten vallen van de zestig kilogrens. Spectaculair werd de motorfiets veranderd toen Jan Wilke in 1949 nieuwe modellen ontwierp. De telescoopvoorvork en de plunjervering achter en een ander frame gaven de motor een volwassener uiterlijk. Een jaar later kwamen een grotere tank met gereedschapsruimte bovenin en vernieuwde Villiers 125 en 200 cc motorblokken. Kort daarop wordt met hetzelfde, doch verzwaarde frame het 250 cc model met Victoria motorblok uitgebracht. Sparta groeide uit tot het grootste Nederlandse motormerk. Rond 1953 worden de modellen voorzien van spatborden die de wielen meer omsluiten daarmee de trend van die tijd volgend. Inmiddels is het vermogen van het Victoria 250 cc model zo ver opgevoerd dat de motor geschikt is om er een zijspan aan te bevestigen. Ook verschijnt in navolging van de scooterrage een Sparta scooter met 98 cc Villiers krachtbron. Ondertussen wordt in de zwaardere klasse een motor met plaatframe en het vertrouwde 250 cc Victoriablok ontwikkeld terwijl de 125 cc te langzaam wordt in het steeds sneller en drukker wordende verkeer en uit het assortiment verdwijnt. Naast het Victoriablok wordt in hetzelfde plaatframe ook het 250 cc JLO tweecilinder blok toegepast. |
|
|
|
|
Rond deze tijd wordt de fietsproductie stopgezet en wordt gestart met de
bromfietsfabricage, die al bij diverse Nederlandse fabrieken voor een
grote omzet zorgde. Na de grote bloeiperiode in de eerste helft van de
vijftiger jaren zet in 1955 de dalende trend van de verkoop van motoren
door en wordt het assortiment steeds kleiner. In 1960 worden nog enige
motoren verkocht en in 1961 is nog slechts de verkoop van één motor
geregistreerd. In de periode na de oorlog werden motoren in grote
hoeveelheden "zonder bouwvergunning" gemaakt maar die bleken allemaal
voor de export te zijn. Honderden zijn er gegaan naar België, Indonesië
en Zweden (onder de naam 'Svecia'). Verder hebben tientallen tot
honderdtallen Sparta motoren gereden in Zuid-Afrika, Brazilië, Engeland,
Ierland, Portugal, Thailand, Curaçao, Zwitserland, Cyprus, Malta,
Guatemala, Israël. Bekend zijn nog steeds liefhebbers en bezitters van
een Sparta motor (of soms een scooter) in België, Indonesië, Zweden,
Thailand, Malta, Portugal, de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland en
Zuid-Afrika. |
|
|
Niet onvermeld mag blijven het fenomeen 'Spartamet', dat in Nederland
bekend werd als synoniem voor de snorfiets, een niet helmplichtige-,
snelheidsbeperkte brommer, waarvan er van 1986 tot 1999 circa 15.000
stuks zijn gefabriceerd. Als opvolger daarvan is sinds 1995 de
elektrische fiets in productie. |